Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar éénheid in clen chaos, met den dorst al die verschijnselen aan zijn denken te onderwerpen. Nu blijkt hem vooreerst, dat de realiteit van al die verschijnselen en hunne beteekenis, hunne duiding om zoo te zeggen, voor hem geen punt van onderzoek kan zijn. „Weten" kan hij alleen door,,juiste voorstellingen" van de zaken te krijgen, en dat al die zaken er zijn, echt werkelijk, en dat ze niet maar product van zijn eigen gedachtenspel zijn, is voor geen nader bewijs vatbaar. Hij kan de ééne voorstelling aan de andere controleeren; ze toetsen aan „de zaken zelf", is hem krachtens de hebbelijkheid van zijn kenvermogen nu eenmaal voor goed ontzegd. En voorts blijkt hem dit, dat hij bij elk wetenschappelijk onderzoek, als hij scherp nadenkt, uitgaat van een zeker aantal grondstellingen, die zelve voor geen bewijs vatbaar zijn, daar ze juist ten grondslag strekken aan alle wetenschappelijk bewijs. Zoo iets, dan is wel deze waarheid een vrucht van de moderne zelfcritiek van het denken, die door niemand meer wordt geloochend. Heel de wereld der verschijnselen is ons, denkende menschen, in hare realiteit en in haar beteekenis voor ons slechts gewaarborgd door „geloof". Heel het stel grondbeginselen, dat ten slotte over alle weten beslist, het ontleent zijn waarheid voor ons alleen aan de onmiddelijke evidentie, zonder eenig wetenschappelijk bewijs, waarmee het zich aan ons oplegt. Kortom alle wetenschap, alle waarachtige waarheidvorsching, gaat bij het waarnemen en het verwerken dier waarnemingen uit van een stel grondbeginselen, die zelve nooit, krachtens hun aard, vrucht van wetenschappelijk onderzoek kunnen zijn, maar vóór alle wetenschappelijk onderzoek, langs gansch anderen weg, dien des „geloofs", voor ons vast staan. Q. N. zelf erkent dit trouwens zoo uitdrukkelijk mogelijk, waar hij zegt, dat alle

Sluiten