Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mannen voor haar als alleen deugend de methode der exacte wetenschappen aan, en handhaaft niet anderzijds een even achtbare rij getabberde en gewoon „gejaste" heeren de leer, dat een eigen methode de geestelijke wetenschappen ajleen kan vooruitbrengen ? Wordt niet het antwoord op die vraag beheerscht door een langs wetenschappelijken weg niet te vinden levensbeginsel, uitspraak doende over de onderlinge verhouding tusschen stof en geest ? Kuenen of Kuyper : zou dat voor de methode der theologie onverschillig zijn'?

Q. N. is een veel te diep denker om niet zelf te gevoelen, hoe onhoudbaar eigenlijk dat „methode-dogma" is. Al betoogend wordt het dan feitelijk ook gereduceerd tot dit eene : de student leere „onbevooroordeeld" te zijn. Daarvoor dus al die omslag van het Hooger Onderwijs, 't Is zoo: „wat er noodig is voor het leeren van onbevooroordeeld opbouwen eener levensbeschouwing'' zegt Q. N. Maar de methode voor het „opbouwen eener levensbeschouwing" hangt van het uitgangspunt dier levensbeschouwing zelf af, zoo zagen we. In zooverre is de stelling dus een „petitio principii". „Onbevooroordeeld" zijn is alzoo ten slotte het eenige wat overblijft. En dat is alleen te vinden aan onze Rijks-Universiteiten. Aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, aan de Roomsche Universiteit te Leuven is alle onderwijs „sectarisch." Daar is geen „wetenschap", want, ziet ge, daar leert men „vooraf vastgestelde conclusiën" bepleiten, en dan voorts den tegenstander te parodieeren. Wat denkt Q. N.: Waar zouden appreciatie en parodieering 't grootst zijn, intra of extra muros ? Is deze omschrijving van alle Bijzonder Hooger Onderwijs als pleitend sectarisme positief, als parodieerende depreciatie negatief, is deze omschrijving bestemd wellicht om een staaltje te geven van „onbevooroordeeldheid ?"

Sluiten