Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelsel des ministers in zijne voordracht weer te geven, het tweede kritiek uitbrengt op 's ministers argumenten. Ik maak op die beide artikelen enkele kantteekeningen.

Vooreerst wensch ik hier eens, nu er zich de gelegenheid voor aanbiedt, een woord van protest te doen liooren tegen het oude adagium van den lieer Heemskerk, die destijds, doelende op den financieelen steun, van staatswege aan liet Bijzonder Lager Onderwijs te bieden, verklaarde, dat dan „het mooie er af was." Nu laat ik dat woord in den mond van een opportunistisch staatsman als den heer Heemskerk nog passeeren zonder qualificatie, maar wat te zeggen als een idealistisch getint man als de heer Q. N. dit woord niet alleen tot het zijne maakt, maar liet zelfs een „gelukkige uiting" noemt. Zou cle heer Q. N. misschien bij eenig nadenken ook zich kunnen voorstellen het bittere gevoel, dat dit wekt in het hart van den geadresseerde ? Onrecht dragen met opgeheven hoofde, voor zijn levensovertuiging niet alleen pleiten met woorden, maar ook opkomen metterdaad, zooals ons Christelijk-geloovig volksdeel op het gebied van liet onderwijs jaren gedaan heeft, wekt bewondering bij den buitenstaande, zeer zeker. Maar wat te zeggen, als hij die geroepen is recht te doen in dezen, als de minister der kroon, als de leden der Staten-G-eneraal, zelf dat onrecht bestendigen en dan zeggen, dat ze dat doen, omdat anders 't „mooie er af zou gaan"? Wat zou Q. N. zeggen van een ontaard woestaard, die zijn vrouw afranselt, en het dan „mooi" vindt, hoe ze dat gelaten en geduldig om der wille harer liefde verdraagt? Q. N. moge het ministerieel gezegde „bijzonder gelukkig" vinden, ik vind 't bijzonder cynisch en krenkend.

Doch dat tusschen haakjes. Eveneens passeer ik de psychologische opmerkingen over onzen Premier, en zijn sarcastische

Sluiten