Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lohman het eind-diploma van Bijzondere Gymnasia gelijkgesteld met dat der openbare gymnasia. Resultaat is dus: lo. het geven van Hooger Onderwijs en het oprichten van gymnasia, kweekscholen en universiteiten is voortaan vrij; 2o. aldus opgerichte scholen zijn alleen aan het toezicht der Overheid onderworpen; 3o. aan een deel dezer scholen wordt Rijks-subsidie uitgekeerd; 4o. enkele hoogleeraren, aan zoodanige inrichtingen geplaatst of een leerstoel bekleedend, erlangden rang en zitting nevens de hoogleeraren der RijksUniversiteiten ; 5o. een deel dezer scholen erlangde voor haar einddiploma's gelijkstelling met gelijksoortige, uitgereikt door openbare inrichtingen. En de minister wijst er dan op, hoe op deze lijn van vrijmaking van het onderwijs niet kan halt gemaakt, en hoe het ingediend ontwerp te dezer zake een stap vooruit is in dezelfde richting.

Wat nu antwoordt op dit betoog de heer Q. N.? Hij ontkent ten eenenmale, dat de ontwikkeling onzer Hooger Onderwijswetgeving er eene zou geweest zijn van toenemenden gang in de richting van volledige vrijheid. Voor punt 1 en 2 ziet hij een toenemende beperking dier vrijheid. Punt 3 wijst hij af door ze op rekening te stellen der gemeente Amsterdam. Punt 4 acht hij slechts een „hoffelijkheid' tusschen Kerk en Staat. En punt 5 is een incidenteel hors-d'-oeuvre. De drie laatste punten laat ik daar, om het debat niet al te ingewikkeld te maken. De argumentatie om de gelijkstelling van subsidieering der bijzondere gymnasia te beschouwen als Q. N. doet, acht ik zóózeer „une doctrine pour besoin de la cause" dat ik er verder geen woord aan spil. Alsof zóó belangrijke toenadering van een zoo scherp partijman als den minister Goeman Borgesius ooit zou zijn verkregen indien niet de rechtsbeschouwing in zake het gymnasiaal onderwijs

Sluiten