Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na al de vertoogen dezerzijds een totaal andere ware geworden! Wat zou er van mr. Lohman's initiatief zijn geworden 20 jaar vroeger? dat bedenke de heer Q. N. eens. De benoeming der kerkelijke hoogleeraren „een hoffelijkheid" te noemen is ook een zeer eigenaardige qualificatie. Doch ik laat dat alles nu ter zijde. De vraag is alleen deze: beweegt zich de wetgeving op het Hooger Onderwijs in de richting van vrijheid of niet?

Nu hangt het geheel af van de vraag: wat is „vrijheid van Onderwijs", in casu van Hooger Onderwijs? of men op die vraag met den heer Q. N. „neen" of met den minister „ja" antwoordt. Klampt men zich, zooals de heer Q. N. doet „unguibus et rostro" vast aan de letter der Grondwet — ja dan zal de vraag ontkennend moeten worden beantwoord. Het geven van onderwijs wordt door art. 194 G. W. vrij verklaard, meer niet. Maar gaat het aan op deze wijze art. 194 buiten de historie van ons staatsrecht om, te interpreteeren? Ik voor mij vind het geen gelukkig staaltje van de „juridische" methode in het staatsrecht, als op deze wijze met ons hoogste staatsstuk wordt omgesprongen. Wat is de zaak? De wet op het lager onderwijs van 1806, die tot 1857 onveranderd heeft gegolden, bepaalde, dat geen lagere school, onder welken naam ook, zou mogen bestaan of worden opgericht, zonder uitdrukkelijke vergunning. Met recht noemt de minister het misbruik, van die bepaling gemaakt, draconisch. Genoemd behoeft hier slechts het beruchte Koninklijke Besluit van 1842, om dat woord waar te maken. Vandaar dat bij de herziening der Grondwet van '48, toen voor 't eerst de vrijheid van onderwijs in de Grondwet werd terneder geschreven, dat beginsel werd gekleed in den vorm waarin het thans daarin voorkomt. Gericht tegen de bij de wet van 180G verplicht

Sluiten