Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de wet van '76 slaat de bedoeling van art. 194 Gr. W. als staatsrechtelijk beginsel vlak in het gezicht.

Na deze kleine excursie naar de zijde van „de Nederlander" veroorzaakt door het in contact komen met art. 194 G. W. hervat ik mijn campagne tegen Q. N. Van het historisch argument heb ik gezegd wat ik te zeggen had. Q. N.'s tweede versterking is opgeworpen tegen het betoog van den Minister, dat het Bijzonder Hooger Onderwijs, wil het niet succumbeeren bij de mededinging met het Openbare, het „jus promovendi cum effectu civili" beslist noodig heeft. Vooral het dubbel afleggen aller examens, thans verplichtend voor elk, die ook de „effectieve" graden wenscht te bezitten, vormt op den duur een last, die den bloei der Universiteit zeer belemmert. — Q. N. vindt dit intusschen zoo erg niet. De hoogleeraar der Rijks-Universiteit die examineert, is door de wet gedwongen onpartijdig te examineeren, onverschillig waaide „patiënt" zijn kennis heeft opgedaan ; doet hij dit niet, dan is het tijd voor curatoren, hun gezag te doen gevoelen. En als de minister betoogt, dat het missen van den „effectus civilis" de leerlingen weert, daar toch de overgroote meerderheid ter Hoogeschool tijgt, om zich voor het maatschappelijk leven te bekwamen, wijst Q. N. deze argumentatie af met de opmerking, dat de Universiteit moet doceeren, alsof alle leerlingen enkel candidaat-geleerden waren. Juist daarin zit het geheim van alle Universitair Onderwijs. Zoo zullen zij dan ook worden geexamineerd aan de Rijks Hoogescholen. Wat heeft het Bijzonder Hooger Onderwijs dan nog te klagen ?

Wat er vooreerst aan is van de bewering, als zou de Universiteit haar discipelen moeten opvoeden alsof ze allen candidaat-geleerden waren, werd boven reeds ter loops behandeld.

Sluiten