Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doe het en neme die lasten op zich. maar tot het dragen van die lasten mag niet gansch een rubriek der studeerende jongelingschap worden gedwongen.

Want een last en een groote last tevens is het, dat dubbele examen doen. Volkomen terecht wijst de minister er op hoe zeer het is in het voordeel van den examinandus te worden geëxamineerd door eigen leermeesters. Hij begrijpt hen met een half woord, kent hun „karretjes", weet hoe ze het liefste willen hebben geantwoord, kortom, hij is in het bezit van al die kleine voordeeltjes, die ieder examinandus — en uit hen bestaat immers de helft van ons Nederlandsche volk? — zoo goed kent, en die even zoovele nadeeltjes worden bij het geëxamineerd worden door een vreemde. En nu moge Q. N. praten, wat hij wil en de hoogleeraren onzer Hoogescholen mogen zoo uitnemend zijn en zoo onpartijdig als denkbaar is — en ik schat hen hoog! —, feit is het dat een hoogleeraar geen menschelijk hart moet hebben als hij voor zijn eigen leerlingen niet eenigszins gepreoccupeerd is. Het kan eenvoudig niet anders. Niet natuurlijk alsof hij willens en wetens van elders komenden zou gaan plagen, maar voor zijn leerlingen heeft hij hart, daar zijn onze Rijkshoogleeraren veel te superieure menschen voor; ik dank er zelf te veel wetenschappelijke opvoeding en te veel vriendschap aan om dat niet te weten. Maar dan staat het ook vast, dat het nadeel voor de extraneï even ontegenzeggelijk bestaat. Bij de gymnasiale eindexamens loochent niemand dit. En dan mag met den minister gevraagd, of de korte duur der academische examens aan dit nadeel geen exponent geeft?

Het tweede bezwaar waarop de minister wees, vindt bij Q. N. eenige meerdere appreciatie, maar veel geeft hij er ook al niet om. Het is dit, dat zoovele vakken van Academisch

Sluiten