Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weder harer roeping eenigzins gaat bewust worden, om voor de zuivere waarheid, gelijk Gods Geest haar die uit Gods Woord geleerd heeft, zich schrap te zetten, te midden van een tijd die den smaak voor die waarheid sinds lang verloren heeft!

Laat ons op enkele zaken kortelijk letten, om de hemelsche en éénige waardij die de Kerk des Heeren voor de volkeren en voor de enkele personen heeft, aan het licht te doen komen.

In Ex. 25 : 8 lezen wij, dat de Heere tot Zijn knecht Mozes op den berg Sinaï sprak: „Zij", n. 1. de Israelieten, zullen mij een heiligdom maken, dat ik in het midden van hen wone." Dat was wel het voornaamste waardoor het Israëlietische volk, de Gemeente van die dagen, van de wereld, van de heidenen onderscheiden was, dat de Heere, de Schepper des hemels en der aarde, onder hen woonde. Want dit wonen Gods onder Israël beteekende niet maar dat de Heere op die wijze in het midden van Israël was, als Hij ook nu nog overal op de wereld tegenwoordig is, omdat de Heere nergens in- of uit te sluiten is, en opdat Hij Zijn schepsel in weerwil van de zonde in stand houde. Neen, het beteekende iets meer bizonders. Het zeide dat de Heere onder Israël ook wilde wonen met Zijne genade en vaderlijke liefde als onder Z ij n volk, hetwelk Hij Zich uit alle volken had uitverkoren en hetwelk Hij nu wilde noemen: Zijne kinderen.

Dat woord, dat God tot Mozes op den berg Sinaï sprak, geeft ons te kennen, dat de Heere nu onder dit volk verkoos te „wonen." Er werd immers gezegd: „Zij zullen mij een heiligdom maken, dat ik in het midden van hen wone." Evenals een man te midden van Zijn volk woont, zoo wilde ook de Heere onder dit Zijn aangenomen volk vertoeven. Ook voor den Heere, zou een woning opgericht worden, opdat daar te midden van de burgers van dezen staat óók wone hun Koning, hun hemelsche Koning, die het voor Zich niet te gering achtte zich zóó Zijn volk aan te nemen, zoodat het voor een ieder duidelijk moest zijn, dat dit volk inderdaad Zijn volk was en Hij hun God en opperste Heer; gelijk immers e 1 k koning niet gaat wonen buiten de palen zijns lands, maar te midden van zijn onderdanen, opdat hij voor hen tc genaken zij en het uitkome dat hij de koning en beschermer van hen is. Daarom, al was daar in latere dagen ook nog een andere koning, zoo was deze andere koning toch niet meer, en mocht

Sluiten