Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inhoud te geraken. Het was met name de Fransche school van omstreeks het midden der 16e eeuw, die alzoo zich groepeerend om Cujacius en Donellus den „mos Gallicus" tegenover den „mos Italicus" deed zegevieren en mede den Nederlandschen juristen ten voorbeeld strekte. Alciati was een der eersten, die nog vóór hen voor een deel van zijn arbeid reeds de nieuwe methode in practijk bracht en door zijn voorlezingen te Bourges Calvijn daarheen lokte, die te Orleans destijds het onderwijs volgde van Pierre de 1'Etoile.

Hoe vruchtbaar voor de wetenschap deze school ook was door haar streven, de zuivere bronnen systematisch om te zetten in rechtsdogmatiek, zij vervreemdde juist daardoor zich van het practisch recht, zooals dit feitelijk gold, vermengd met allerlei elementen van kerkelijken en nationalen aard. Dit gebrek leidde tot een tegenstrooming, die vooral in Duitschland zich openbaarde, de zoogenaamde „Scliule der Deutschen Praktiker", welker werken tegen het einde der zeventiende eeuw verschenen, en handelden over den „usus modernus Pandectarum". Carpzovius, Schilter, Strijk en Böhmer waren de toongevende mannen dezer school. Deze werken onderscheidden zich alle door hun gemeenschappelijke methode, te weten, dat men de titels der Pandecten volgde, maar onder den behandelden titel dan heel de daarbij behoorende rechtsstof verwerkte, dat is, niet alleen de Instituten, den Codex en de Novellen, maar eveneens de overblijfselen van het aloude landsrecht, zoodat men bijvoorbeeld gemoedelijk naast elkander behandeld vindt de leer van den dos en het inlandsch huwelijksvermogensrecht. Door deze verbinding ging men echter op den duur toch ook zelf het principieele onderscheid voelen, dat tusschen de beide elementen op vele punten bestond, en kwam men er allengs

Sluiten