Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

algemeen deel, zakenrecht, verbintenissen-recht en familierecht, zooals die later in de wetenschappelijke werken en thans ook in het Duitsche Burgerlijk Wetboek is gevolgd-

Sinds volgde i» Duitschland de reactie der historische school, met haar roep om levend volksrecht, met haar afkeer van abstracte principes en daarop berustende algemeene codificatie. Met een dubbel gevolg. Vooreerst, dat de studie zich, hoewel niet terstond, allengs ook meer ging richten op het G-ermaansch recht en een schat van werk is besteed, om dit weer uit het stof der middeleeuwen op te delven. En voorts, dat toen eenmaal de eisch was gesteld, om elk recht naar de geschiedenis zijner wording te beoordeelen, de consequentie er dan ook toe voerde om de studie uit te breiden tot de rechtsgeschiedenis van andere volken. De vergelijkende taalstudie, die de eenheid van den Arischen stam had aan het licht gebracht, gaf daarbij steun. In aansluiting hieraan werd een vergelijkende studie van het Arisch recht op touw gezet; een arbeid, waarvan ook het Grieksche recht profiteerde. Voegt men nu hier aan toe, dat de evolutie-leer met haar genetische methode er toe leidde om ethnologisch een goed deel van zijn aandacht bij voorkeur te schenken aan het recht der wilde volken in Afrika en Australië en ook in Amerika, dan staan we daarmee midden in onzen eigen tijd. — Hoe groot de invloed der historische school overigens ook geweest is, den drang naar codificatie heeft zij niet kunnen tegenhouden. In 1896 is het algemeen Duitsch Burgerlijk Wetboek tot stand gekomen, voor een groot deel op Romeinsch-rechtelijke beginselen opgebouwd.

Naast de Duitsche strooming had zich, voor zooveel betreftde privaatrechtelijke instellingen, een Fransche gevormd, die bestemd was ook ons Nederlandsch privaatrecht voor een

Sluiten