Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo velen zagen we in die kwarteeuw aan onze rechteren aan onze linkerzijde wegvallen, wier leven door den onverbiddelijken dood werd afgesneden, terwijl over ons tot aan dit oogenblik de genadige verschooning des Almachtigen was.

Niet aan eigen waardigheid, maar aan Gods ontferming hebben we dit te danken.

Het was de Heere, in Wiens hand aller lot en adem is, die ons geleid , bewaard en tot hiertoe gebracht heeft.

Moge het woord der prediking, moge de stemming onzer ziele, mogen we, in één woord, thans in alles den Heere welbehagelijk zijn, en ons samenzijn met des Heeren zegen worden bekroond.

Komt, stellen wij ons daartoe vooraf voor Gods aangezicht, en bidden we Hem om de genade en de bekwaming des Heiligen Geestes.

Gebed.

Toen ik vijf-en-twintig jaren geleden mijne evangeliebediening in deze gemeente aanvaardde, deed ik zulks naar aanleiding van hetgeen de apostel Paulus schreef aan de gemeente te Corinthe:

„Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus en dien gekruist."

En ofschoon niet velen, toch leven er nog oog- en oorgetuigen, zelfs mag ik ze hier met eigen oogen nog zien, die deze voor mij onvergetelijke ure zich nog zullen herinneren.

Niemand minder dan ik zelf had het durven vermoeden, dat het mij vergund zou zijn een kwarteeuw in deze gemeente te mogen arbeiden. Gode zij daarvoor alleen de eer.

Dat bij een terugblik in het verleden, en dat over een tijdruimte van zooveel jaren, zulks een evangeliedienaar veel stof tot denken geeft, beseft ieder. Er is dan zooveel te herinneren, zooveel te belijden, zooveel

Sluiten