Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen geen waarheid is. Niemand kan twee heeren dienen. Zoo schoon, zoo geleerd had nooit iemand de dwaling onder de Galaten verbreid, kunnen voorstellen, dat Paulus ooit zou te bewegen zijn geweest om er het oor aan te leenen. Hij zou de bedoeling van het „het zij verre van mij" zeer beslist hebben gehandhaafd. Wat men van menschen heeft of uit boeken haalt, kan men inruilen voor wat anders, maar zoo doet men niet met hetgeen men uit den hemel ontvangt. En wat zal de man en de vrouw, wat zal de jongeling en de jongedochter doen, in wier hart God heeft geschenen om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus? Zal die niet evenals Paulus beslist weigeren om de waarheid in te ruilen tegen dwaling, om Gods gebod krachteloos te maken door ijdele filosofie?

En wat zal nog ieder getrouw evangeliedienaar doen, voor wien het woord getrouw nog iets anders is dan een ijdele klank? Zal deze, indien hij zijn hooge roeping en groote verantwoordelijkheid bewust is, door uitwendige voordeelen, door eer en roem van menschen , zich laten verleiden om het evangelie des kruises, hoe dan ook, te veranderen in een evangelie naar den mensch ? Is het in een tijd als waarin wij thans leven, waarin schier alles wankelt wat zeker is, niet een eerste vereischte in den evangeliedienaar, dat hij in geheel zijn optreden in de wereld, en bijzonder in zijn prediking van het Woord, bewijze dat hij weet wat hij gelooft, en dat met beslistheid van overtuiging laat blijken, zonder zich te bekommeren over het oordeel der menschen? Zoo deed Paulus immers, die aan de gemeente van Corinthe schrijft: „Doch mij is voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een menschelijk oordeel." Die beslistheid van overtuiging is noodig niet alleen in betrekking tot de waarheid, welke wij prediken, maar ook in betrekking tot de kerk, wier dienaren wij zijn.

Sluiten