Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en grooten ijver, maar met weinig wetenschappelijke ontwikkeling.

De zegen op hun werk was er niet minder om, want zij hadden dan toch de gaven van godsvrucht en toewijding, die in de eerste plaats voor eenen gezegenden arbeid noodzakelijk zijn.

Maar de behoefte aan dege ontwikkeling en opleiding is ook van het begin af gevoeld, en is oorzaak geweest, dat men terstond gezocht heeft naar middelen om ook die behoefte te bevredigen.

Reeds op de Synode van 1836 is daarover tot driemaal toe gesproken. En de artikelen 28, 32 en 44 van de Handelingen dier Synode getuigen van den ernst waarmee men trachtte, de toekomstige leeraars alleszins wel toegerust voor hunne roeping te doen optreden.

Door het gezicht op die behoefte kwamen nu onderscheidene predikanten er toe, om of alleen, of in samenwerking met anderen de opleiding op zich te riemen, zoodat er meerdere kleine scholen ontstonden, waar de opleiding voor het predikambt geschiedde.

Zoo ontstonden de scholen te Zuilichem, Arnhem, Groningen en Hoogeveen, en kwam men als van zelf tot kerkelijke opleidingsscholen. De predikant toch, die de opleiding ter hand nam, stond ook met dien arbeid onder zijn kerkeraad. En toen al spoedig samenwerking gezocht werd met de kerken van één of meer Provinciën, kwamen die scholen onder beheer van die gezamenlijke Kerken. Het werd dan hunne school, waarover zij het meest volstrekte zeggenschap hadden.

Daaruit blijkt, dat God inderdaad door de behoefte der praktijk tot zulke scholen geleid heeft; en wij herhalen, dat daarmede niets gezegd is tegen de juistheid der gedachte, die er in werd belichaamd, dat n. 1. de Kerk zelve het zeggenschap moet hebben over de opleiding

Sluiten