Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waaraan ook de Chr. Afgescheidenen zouden meewerken, om ook van die school hunne predikanten te ontvangen.

Daartoe wilden zij dan hunne niet-kerkelijke school, die zij stichten zouden, vereenigd zien met de school der Geldersche Kerken.

Het is toen niet gelukt, en de niet-kerkelijke school, die aangeduid werd als het Schotsche Semenarie, was reeds lang van hare oorspronkelijke bestemming vervreemd, toen de school der kerken zich nog in toenemenden bloei mocht verheugen. En men was later dankbaar, dat het niet gelukt was, om twee ongelijksoortige grootheden tot één geheel samen te lijmen, nl. de kerkelijke en de nietkerkelijke school.

Alleen Ds. Brummelkamp heeft die samenwerking wel ernstig begeerd en gezocht, en ten deele ook Ds. Donner, die toen in zijne jonge kracht was. Uit de brieven van Da Costa blijkt zelfs, dat de vakken van onderwijs reeds onder de verschillende medewerkers verdeeld waren. Donner was er echter niet geheel gerust op, dat het goed zou gaan, gelijk bleek, wanneer hij voor Brummelkamp de vrees uitsprak, dat de invloed van Schwartz wel eens overwegend kon worden.

Ds. van Velsen, later Professor, verzette zich er tegen met alle kracht.

De Friesche Kerken, van wie men anders dacht, verklaarden er niets van te willen weten.

En dat Brummelkamp c. s. er wel toe neigden was niet, omdat zij uit een ander beginsel leefden, dan de overige vaderen der scheiding,maar omdat zij meenden, dat de kerkelijke school haar stempel zou drukken op de ééne Inrichting.

Een losse grond dus. Te los om er eene proef mee te wagen. Zoo is toen geoordeeld, en zoo oordeelen wij nog. En daarom niet ééne opleidingsschool, tenzij dan onder het volle zeggenschap der Kerk.

Sluiten