Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat ook Brummelkamp geene andere meening toegedaan was, al meende hij meer te kunnen wagen, blijkt wel uit zijne verklaring op de Synode van 1854, waar hij uitsprak zich veilig te gevoelen in de volgende gedachte: »Indien de Heere ons maar getrouw maakt en bewaart voor afwijking zal het »ordelooze" zich van zelf verliezen in het »ordelijke", het «onkerkelijke" in het »kerkelijke." Onze Gereformeerde beginselen zijn daartoe positief en beslist genoeg. Niet door ons, maar door een der niet-gescheiden broeders was meermalen gezegd : Wat doen wij ? Eigenlijk richten wij niets nieuws op; hetgeen thans in Arnhem is komt over naar Amsterdam en krijgt uitbreiding."

De eenheid met eene niet-kerkelijke school was dus ook voor hem het onordelijke, maar daarom ook overgang tot het kerkelijke in meerdere uitbreiding.

Geen oogenblik heeft hij er aan gedacht om aan opleiding te arbeiden buiten zijne ambtelijke roeping om. Hierin was hij zóó beslist, dat hij weigerde als onderwijzer of professor, adviseerend lid te zijn der Synode van 1854.

»De onderwijzers in Gelderland, verklaarde hij, hebben zich nog nimmer anders dan als leeraars (n.1. der kerk) aangemerkt, en zij hebben hun werk ook niet anders, dan als zoodanig verricht."

Zoo beslist mogelijk dus verklaarde ook hij zich voor kerkelijke opleiding.

En voorgelicht door deze lessen der historie moeten ook wij weigeren, onze kerkelijke school te laten wegruimen, zoolang niet het leven onzer gescheiden vaderen van ongelijk is overtuigd.

Wel heeft men getracht de bezwaren te ontkomen, die aan het bestaan van meerdere scholen verbonden waren. Moeilijkheden, die voornamelijk voortkwamen uit het eerst vrij ongeredderde van het gezamenlijk ker-

Sluiten