Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelijke leven. Moeilijkheden, die weggenomen konden worden, omdat de scholen allen kerkelijk, en dus gelijksoortig waren.

Daarover is gehandeld op de Synode van 1846, totdat daar reeds een plan gevormd werd, om tot ééne school te komen, en eene commissie werd benoemd om de uitvoering er van te bevorderen.

Op de Synode in 1849 was men reeds zoover, dat Franeker aangewezen werd als plaats, waar de school gevestigd zou worden. En zoo sterk hield men vast aan het kerkelijk karakter der te stichten gemeenschappelijke school, dat de benoemde onderwijzers ook door de Kerk van Franeker als hare leeraars zouden beroepen worden ; ja dat niet eerder deze plaats definitief werd gekozen, eer de kerkeraad aldaar zich tot zulke beroeping bereid verklaard had.

Dat plan is niet uitgevoerd, omdat Ds. Gezelle Meerburg, één der benoemde «onderwijzers" zijne benoeming niet kon aannemen.

Om die reden weigerde Noord-Holland Ds. Van Yelzen van Amsterdam los te laten, om naar Franeker te gaan, omdat Noord-Hollands kerken de school liever in Amsterdam zagen verrijzen.

De bedoeling bij al de overleggingen om tot ééne school te komen was, het goede dat er in was te behouden n.1. het kerkelijk karakter en zeggenschap, en verder zooveel mogelijk de eenheid van opleiding te bevorderen.

Het was hun niet genoeg, als er maar aan opleiding gedaan werd, maar zij vroegen allereerst hoe die wezen zou, getuige hunne weigering om samen te werken met het Schotsche Semenarie.

En het is niet het minst de achtjarige worsteling van overleggingen, van 1846—1854, die ook ons leert,, geene eenheid van opleiding te zoeken, dan met behoud

Sluiten