Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stond door dat alles vreeze, dat ondoordacht het beginsel en de gave, die de Heere in de Theol. School gegeven had, in kleinachting zou losgelaten worden, waarop geen zegen te verwachten zou zijn.

Van de zijde der broeders van '86 toch was niet wederkeerige liefde voor die School openbaar geworden, zoodat van die zijde geene poging tot behoud der School verwacht kon worden. Er is integendeel zelfs na 1892 gebleken, dat menigeen er uit de hoogte op neerzag.

Toen werd het de vraag, wat er nu geschieden moest, om toch de kerkelijke vereeniging niet te bemoeilijken. En uitgesproken werd, dat men zich zou tevreden stellen, wanneer door broederwoord de instandhouding van de Theol. School werd toegezegd.

Vandaar het bekende beding, 't welk bij de kerkelijke vereeniging in 1892 werd gesteld en aangenomen n.1. dat ook de vereenigde Kerken het als hunne roeping zouden erkennen, om eene eigene Inrichting te hebben voor de opleiding van dienaren des Woords, tenminste wat de godgeleerde vorming betreft.

Zooveel maar eenigszins mogelijk was, werd er toegegeven.

Alleen het wezenlijke in die School, n.1. dat de Kerken het volle zeggenschap moesten hebben over de opleiding, mocht men niet prijsgeven,

Het hoe, en het waar, en de eisch dat het de eenige opleiding moest zijn, werd niet in het beding opgenomen.

De meegaandheid der Chr. Ger. Kerk mag dan ook inderdaad groot genoemd worden.

Onze Theol. School was daardoor het eigendom van al de vereenigde Gereformeerde Kerken geworden. Met nadruk voor het aangezicht des Heeren gesteld en aanvaard,

Op al die kerken ligt dus de verplichting haar te verzorgen. En die verzorging bestaat niet alleen in het,

Sluiten