Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het voorstel van '99 werd heel anders ontvangen. De sympathie er voor was groot. Alle Prov. Synoden waren met de strekking eens. De groote meerderheid der leden van de Synode te Groningen evenzoo. Van de zijde der V. U. verklaarde men het echter voor onaannemelijk; overleg zelfs werd door eene bekende benoeming afgewezen.

In broederlijke gezindheid besloot toen de Synode om dan maar niet op de zaak in te gaan, en niet voort te gaan, ofschoon zij de macht en het recht had, om het voorstel aan te nemen.

Hare houding was zoo geheel anders dan die van de Synode te Arnhem in 1902, tegen welke de nog altijd onweerlegde aanklacht ligt van br. A. Littooij, in zijne brochure »Het recht en de macht inzake de Opleidingsquaestie."

Het indienen, van die voorstellen echter heeft nadeelig gewerkt op den bloei der School. Zij kwam er door in eene zóó zwevende positie, dat men van Synode tot Synode ternauwernood wist, wat er van haar worden zou.

Daardoor verkoelde de liefde van velen. En de offervaardigheid verminderde, zoodat nu slechts met moeite bijeengebracht werd door 700 kerken, wat vroeger door de helft van die kerken zonder moeite werd gevonden, omdat de liefde drong.

Het was dan ook eene verademing toen in 1899 door de Synode besloten werd de School te »handhaven en te bevestigen."

Doch wie toen meende, dat rust en vastigheid was verkregen, vergiste zich. Heraut en Kerkboden begonnen terstond weer op een anderen gang der zaken te zinnen.

Het voortbestaan der School bleef onzeker voor het bewustzijn van ons volk, zoodat wij verwonderd moeten zijn, dat zij door dat alles heen nog zulk

Sluiten