Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en niet een leerstellige . . . wassen neus zijn. Gelooven de heer Kuyper of de heer Woltjer of de heer Bavinck wat zij zeggen te gelooven, dan plaatsen zij zich niet gevend en nemend of afdingend bóven de Schrift, maar aanvaarden ze met al hetgeen er in staat; „bij zeer velen," zegt Calvijn, „is de aller verderfelijkste dwaling ingeslopen, dat de Schrift zooveel gezag heeft, als haar bij monde der Kerk wordt toegekend, alsof de eeuwige en onaantastbare waarheid Gods op menschelijk goedvinden had te steunen. Vraagt men nu, van waar wij dan zonder beroep op een kerkelijk besluit de overtuiging, dat ze van God afkomstig is, moeten halen, dan klinkt dat, alsof men vroeg, hoe men licht van duisternis, wit van zwart, smakelijkheid van bitterheid moet leeren onderscheiden. De Schrift, toch, maakt op even heldere wijze den zin harer waarheid kenbaar, als witte of zwarte dingen hunne kleur en zoete of bittere hunnen smaak." (Inst. 1:7.) Dienovereenkomstig schrijft ook de heer Bavinck in zijne Gereformeerde Dogmatiek: „De Schrift brengt haar eigen gezag mede; zij rust in zichzelve, zij is autópistos," dat wil zeggen uit en door zichzelve geloofwaardig of onvoorwaardelijk gezaghebbend. (1 : 490.) Zoo is inderdaad de Calvinistische leer; zoo is de leer aangaande den grondslag der 'vrije' universiteit. Doch hoe onbestaanbaar, hoe onhoudbaar is die leer, zoodra men slechts een weinig nader toeziet en nadenkt: hoezeer is zij in strijd ook met hetgeen de Roomsch

Sluiten