Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Blz. 42.) Ook ten onzent zegt dr. H. A. Poels met een Imprimatur uit Mechelen van 20 Maart 1899: „Wat het Oude Testament betreft, waarschuwt ons reeds de allereerste bladzijde, om niet a priori alles tot strenge historie te verklaren wat den vórm eener historie heeft. Hoe men het eerste hoofdstuk van Genesis ook draaie of keere, de schrijver verhaalt of beschrijft ons hier de schepping der wereld in zes dagen van vierentwintig uren; wilde de schrijver van Genesis het streng historisch karakter zijner- voorstelling bevestigen, dan zou hij voorzeker dwalen." ('Critiek en Traditie' blz. 80.) „Vast als een rots," zegt dan verder de Capucijner pater Coelestiuus met verlof weer ook van zijne overheden, „vast als eene rots staat de waarheid, dat onze eerste ouders gezondigd hebben, maar staat het even vast, dat hunne zonde hierin bestaan heeft, dat zij gegeten hebben van eene vrucht, waarvan God hun had verboden te eten? De H. Schriftuur stelt het zoo voor, doch wij zijn geenszins gedwongen, die woorden naar de letter te verstaan." ('Het Aardsche Pai*adijs' 1903 blz. 48 -49.) Neen, „Gen. 2 : 5 in sensu obvio (dat is in den voor de hand liggenden zin) verstaan dwingt ons tot het maken van onderscheid tusschen voorstelling en leer in den eersten zin den besten der paradijshistorie." ('Over Inspiratie' 1904, blz. 93.) Men vergelijke met zulke uitspraken het van klaaglijke verlegenheid in den heer Kuyper junior getuigende artikel over 'Afglij-

Sluiten