Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menige babylonische sage of legende hebben overgenomen.

Maar dan is de vraag gewettigd : Waarom zouden die geschiedschrijvers minder betrouwbaar zijn waar zij de geschiedenis hunner vaderen verhalen? Waarom zouden zij over den Sinai en zijne omgeving met minder kennis van zaken spreken dan over Assyrië en Babyion?

Ik kan ook niet zeggen, dat Delitzsch hun dit uitdrukkelijk verwijt, — maar anderen doen het wel, en hij schrijft toch ook een zinnetje dat bestemd schijnt om hun gezag in dezen verdacht te maken.

Het staat overigens in zeer zonderlingen samenhang. In zijn onbesuisden aanval tegen de bovennatuurlijke openbaring roept hij op plechtigen toon:

De hand op het hart — wij hebben zulk een onmiddellijke persoonlijke Godsopenbaring in het geheel niet verdiend.

Tegen een windmolen, natuurlijk. Wie heeft ooit beweeid, dat de goddelijke openbaring gegeven is omdat wij ze verdiend hadden ?

„Dat verwijt treft ook Moses," lezen we dan verder. Omdat hij nl. de tien geboden niet woordelijk juist heeft medegedeeld, en in zijne verontwaardiging over de vereering van het gouden kalf de eerste wetstafelen in stukken wierp.

En dezelfde nalatigheid tegenover Gods heiligste erflating aan de menschen is ook elders te betreuren. Wij zoeken nog heden in het gebergte van het Sinaischiereiland den berg die bij al het verhaalde past.

De laatste redeneering komt hierop neer: professor Delitzsch kan den echten Sinai niet vinden: „Wir suchen noch heute.' Dus heeft Moses den berg niet nauwkeurig genoeg beschreyen, — iets wat bl. 21 ook nog eens van de tweesteenen tafelen gezegd wordt. Dat was eene „Nachlassigkeit" tegenover de goddelijke openbaring. Dus hebben wij die openbaring „überhaupt nicht verdient," Dus bestaat er geen goddelijke openbaring, — zoolang professor Delitzsch den Sinai

niet vinden, kan.

Antwoordt hij misschien, dat wij al die verschillende

Sluiten