Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water." In zuidwaartsche richting is dit ook heden nog het geval. Wij vinden, zooals Jullien het uitdrukt, „tachtig kilometer allertreurigsten en allereentonigsten weg," dat zijn drie kleine dagreizen. Onze kameelen leggen maar 4 kilometer in het uur af, — en een geheele volkstam met vrouwen en kinderen kan niet sneller reizen. Het is eene vlakte, met grillig gevormde heuveltjes overstrooid; een bodem ten deele van zand, ten deele van hardere vorming, en op vele plaatsen met eene massa gladde, zwartachtige kiezelsteenen bedekt; een land met geen enkele bron en zoo goed als geen plantengroei, tenzij hier of daar in een laagte, waar het zeer zeldzaam regenwater samenvloeit, en waar dan de stengels en blaadjes der kruiden met zoutkristallen bedekt zijn, waarop üet heldere zonnelicht speelt als op een sneeuwveld.

In oostelijke richting is de vlakte op verre na geen drie dagreizen breed, en het is toch niet waarschijnlijk, dat men de vlakte met de oostelijke bergen onder éénen naam heeft samengevat. Zouden echter deze eerste verzen op zich zelf beschouwd nog twijfel mogelijk laten, met de volgende is dit zeker niet het geval. En ter plaatse heb ik, ook hier reeds, allesbehalve twijfel gekoesterd. Ziehier wat ik daar mijmerde in het kameelzadel, en 's middags of 's avonds ter pleisterplaats in mijn zakboekje schreef:

Wat is 't eenzaam, plechtig eenzaam,

Doodlijk eenzaam om ons henen !

Zand en steenen heel de vlakte,

Heel de heuvlen zand en steenen.

Ginds in 't zuiden effen zanden,

Effen wateren ginds in 't westen ;

Hier in 't oosten grijze bergen,

Wolkenhooge reuzenvesten,

Hoog van top en steil van wanden,

Tot één massa saamgeschoven, —

Met geen heester langs haar lenden,

En geen beekjen in haar kloven,

Sluiten