Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewering beslist te logenstraffen. Afgezien van de vraag, hoe en wanneer zij ontstaan zijn, heeft men slechts hun inhoud na te gaan, om te zien dat zij denkbeelden bevatten, die — althans voozoover onze huidige kennis reikt — noch in Egypte noch bij eenig ander heidensch volk zijn teruggevonden, hetzij vóór of in Moses' tijd of in den tijd der profeten. Langs dezen weg zal het ons tevens blijken, dat die denkbeelden om hunne innerlijke waarheid en hunne hooge beteekenis voor het menschdom alleszins waardig waren om door God op bovennatuurlijke wijze te worden geopenbaard of bevestigd, en dat derhalve van deze zijde niets in den weg staat aan de volkomene waarheid der Bijbelverhalen, die ze aan goddelijke openbaring op den Sinai toeschrijven. Dat wij diezelfde Verhalen in aardrijkskundig opzicht volkomen betrouwbaar bevonden, en dat thans ook ongeloovige critici, wat den tijd betreft, den Bijbel weder meer recht laten wedervaren, kan ons slechts in die overtuiging bevestigen. Maar het volgend betoog is toch van die gegevens onafhankelijk.

Hier moeten intusschen noodwendig eenige opmerkingen vooraf, grootendeels aan de letterkundige critiek ontleend.

Jood en Christen, zeiden we boven, spreken van de „tien geboden", of ook van de „tien woorden", en reeds Ex. 34, 28 gewaagt van „de woorden des verbonds, de tien woorden", op de steenen tafelen gegrift. Maar van oudsher worden de tien woorden niet door allen op dezelfde wijze geteld.

Men kent de indeeling, die van den H. Augustinus af onder ons, westersche Katholieken, in gebruik en ook door de Lutheranen behouden is. Het eerste gebod luidt daar: Ik ben Jahwe, uw God. Gij zult geen vreemde goden voor mijne oogen hebben. Gij zult u geen gesneden beeld maken• De tegenwoordige Grieken, de Calvinisten en Anglicanen, even als verschillende oudere Kerkvaders, onderscheiden hier twee geboden: verbod van afgoderij, — en verbod van

Sluiten