Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bonden, dat wij niet meer in staat zijn, ze met volkomen zekerheid van elkander te scheiden. Doch ook hier is niet meer dan schijn van „nalatigheid".

Dat toch in onze 203 eeuw eene duidelijke onderscheiding van tekst en aanteekening tot de letterkundige gebruiken behoort, geeft ons geen recht om hetzelfde van een oudisraëlietischen schrijver te vorderen. En wel allerminst met betrekking tot de tien geboden. Hier immers kon de schrijver met alle recht onderstellen, dat de beknopte vorm der geboden, zooals hij op de wetstafelen stond, aan zijne lezers bekend was.

En wie zegt ons eindelijk, of in het oorspronkelijke handschrift het onderscheid tusschen den tekst der geboden en de bijgevoegde verklaring niet duidelijker was dan thans? De critici die hunnerzijds de bronnen van den Pentateuch eeuwen lang laten om- en overwerken hebben allerminst het recht om ons de onderstelling op te dringen, dat eene oorspronkelijke scheiding of onderscheiding van tekst en verklaring door latere afschrijvers — om van bewerkers te zwijgen — niet kan verduisterd zijn. In oud Israël waren de letterkundige manieren eenvoudiger dan thans, — maar er bestond eene wet tegen „het meten met twee maten." —

Toen wij boven opmerkten, dat ook verschillende protestantsche critici de „tien woorden", zooals Matthes het uitdrukt, „aan den Sinai vastknoopen", dachten wij natuurlijk aan den oorspronkelijken beknopten vorm. Doch ook deze bevatte ongetwijfeld reeds de kern van de geloofsen zedeleer des Ouden Yerbonds. En de verklaringen, in Ex. 20 en Deut. 5 aan enkele geboden toegevoegd, mogen geheel of gedeeltelijk van Moses' hand of van latere dagteekening zijn, — het blijven in ieder geval zeer oude getuigenissen, die voor de juiste verklaring der „woorden", of minstens voor de wijze waarop ze in Israël werden opgevat, de beste diensten bewijzen.

Met volkomene critische zekerheid — wij zagen het reeds —

Sluiten