Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is de oorspronkelijke bewoording der tien geboden niet meer vast te stellen. De volgende onderstelling schijnt mij, na aandachtige overweging, der waarheid wel het dichtst nabij te komen :

Ik ben Jahwe, uw God.

Gij zult geene andere goden voor mijn aangezicht hebben.

Gij zult mijnen naam niet ij del gebruiken.

Gedenk den sabbatdag om hem te heiligen.

Eer uwen vader en uwe moeder.

Gij zult niet doodslaan.

Gij zult geen overspel doen.

Gij zult niet stelen.

Gij zult tegen uwen naaste geen ijdel (ongegrond) getuigenis geven.

Gij zult uws naasten huisvrouw niet begeeren.

Gij zult niet begeeren al wat uws naasten is.

In dezen vorm beslaan de „tien woorden" in het hebreeuwsch, waarin de meeste klinkers niet geschreven, en de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden meestal aan het voorafgaande woord gehecht worden, slechts 45 woorden of 143 letters, zoodat zij zeer gemakkelijk plaats konden vinden op twee steenplaten, die nog door een mensch te dragen waren.

Toch stond in die weinige woorden een wereldwet, een levensprogram, niet enkel voor het volk van Israël, maar voor alle latefe geslachten; een richtsnoer voor hun godsdienstig en zedelijk leven, inwendig en uitwendig, in het bijzonder leven, in het huisgezin, in Kerk en Staat.

De tien geboden waren juist in zoo weinige woorden vervat, omdat zij bestemd waren niet voor eenige weinige geleerden of ingewijden maar voor geheel het menschdom. Ieder kind moest in staat zijn ze van buiten te leeren, en te onthouden.

Ieder kind is ook in staat om ze te begrijpen. Het zijn geen bespiegelingen, geen leerstukken, — tenzij dit ééne, dat ook in de eerste lessen van onze kleine Catechismussen staat: Er is maar één God, en ook dit nog in den vorm van een verbod: „gij zult geen vreemde goden voor mijne oogen hebben." En zoo al het overige: of het ontkennende

Sluiten