Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch da&r (bij Asiongaber) komen de Israëlieten eerst na 24 andere legerplaatsen (Num. 33, 35).

14) Deze Percgrinatio ad loca sancta werd door J. F. Gamurrini in een hs. te Arezzo (onvolledig) teruggevonden en in de Biblioteca delL' Accademia storico-giuridica, IV, Roma, 1887, het eerst openbaar gemaakt. Met slechts geringe tegenspraak (van Rubens Duval en Kohier) werd zij tot heden algemeen aan de H. Silvia Aquitana toegeschreven, en de reis in 385—388 geplaatst. Eerst onlangs (Revue des quest. hist., I"1 oct. 1903, p. 367—397) heeft Dom M. Férotin op niet te versmaden gronden eene andere schrijfster uit denzelfden tijd voorgesteld. De titel van zijn uitvoerig betoog luidt: Le véritable auteur de la „Peregrinatio Silviae." La vierge espagnole Ethèria. Vgl. Rev. bibl., nouvelle série, I, 1904, p. 148 s; en Analecta Bollandiana, XXIII, p. 98 s., waar pater A. P(oncelet) de stelling van den geleerden Benedictijn voor schitterend bewezen houdt.

15) De iarfa (tamarix mannifera) laat van juni tot augustus uit den bast der kleinere takjes, hetzij vanzelf hetzij ten gevolge van steken van een insect (coccus manniparus) een soort eetbare gom afdruppelen, onder den naam van manna bekend. Over de betrekking van dit manna tot de wonderspijs der Israëlieten is veel getwist. Zeer waarschijnlijk dunkt ons, dat deze laatste aan het natuurlijke manna haar naam. ontleent, en dat Ex. 16, 15 het man-hoe, den Israëlieten in den mond gelegd, ondanks het gezag der oude vertalingen, niet den zin heett: ,,Wat is dat?" maar veeleer: „Dat is manna," of met een vraagteeken: ,,Is dat manna f' Een man in de beteekenis van wat ? is aan het hebr. onbekend. De onmiddellijk volgende woorden : ,,Want zij wisten niet wat het was (mah-hoe)" verklaren de zeer oude vergissing.

16) Vgl. hier (en voor het volgende): Peregrin. S. Silviae Aquit., ed. altera, Romae, 1888, p.' 5—13; M. Jullien, Sinaï et Syrië, Lille, 1893, p. 31, 89, 118, 125, 127 s., enz. ; M. J. Lagrange, Le Sinaï (Rev. bibl. VI. 1897,) p. 109—130.

i7) Holzinger, t.a.p., bi. 66.— Het verhaal over offers aan de maan is van ,,Antoninus" (wel juister: den anonymus; vgl. H. Grisar, Zeitschr. für Kath. Theol. 1902, S. <60 ff.; 1903, S. 776 ff.) van Piacenza, Itinerarium, c. 38 (Acta SS., Maii t. II, Parisiis 1866, p. XIV), en slaat ook bij F. Baethgen, Beitr. zur sem. Religionsgesch., der Gott Israels und die Götter der Heiden (Berlin, 1888) S. 107.

>8) Vgl. F. Baethgen, t-a.p., bl. 121; F. Hommel, Die altisraelitische Ueberlieferung in inschriftlicher Beleuchtung, München, 1897, S. 275. De meening die den naam Sinai van den godsnaam Sin afleidt (ook bij Lagrange, Rev. bibl. VIII, p. 379) is zuivere gissing.

Sluiten