Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijs, hen, aan wie liet onderwijs mocht worden opgedragen van de vakken der Theol. Faculteit, te doen ontslaan?

Pieters. Wel volstrekt niet. Op de Synode van 1896 werd dit reeds gevoeld en werd bij art. 25 besloten, dat „aan Deputaten voor de oefening van het verband enz. in overweging zal gegeven worden, of er in deze zaak ook eenige leemte bestaat, en hoe die dan het best zij aan te vullen; met verzoek een volgende Synode dienaangaande van advies te dienen."

De meerderheid van Deputaten (der Kerken) zeggen daarover in hun advies :

„De wijzigingen in de „Overeenkomst" bovengenoemd zouden de volgende moeten zijn :

a. Art. 1 worde voortaan gelezen in dezer voege:

„Bij voorgenomen benoeming van Hoogleeraar in de Theol. Faculteit wordt door deze Faculteit, vóór zij haar advies aan HH. Curatoren geeft, het oordeel gevraagd van drie door de Gen. Synode van de Ger. Kerken in Nederland te benoemen Deputaten; met name of de ter benoeming voorgedragene naar hun oordeel ten genoege der Kerken professie doet van de Ger. belijdenis en of er, met 't oog op de bewaring van de eenheid en zuiverheid in de belijdenis onder hare dienaren en leden, geen bezwaren tegen de voorgenomen benoeming bestaan.

„Bestaat er bij meerderheid van Deputaten overwegend bezwaar, dan geven zij deze bezwaren schriftelijk en gemotiveerd ten spoedigste aan de Theol. Faculteit te kennen.

„Blijkt het dan, dat deze bezwaren op geeneriet wijze kunnen worden weggenomen, dan heeft de benoeming geen voortgang.

„Achten dan de Directeuren der Vereeniging voor H. O. op Ger. grondslag zich door het oordeel van bedoelde Deputaten bezwaard, dan wenden zij zich tot de eerstvolgende Gen. Synode, welker uitspraak dan ook door HH. Directeuren als beslissend wordt beschouwd.

„Geschiedt de benoeming met approbatie van de Gen. Synode of hare Deputaten, dan volgt onmiddellijk op de aanneming van den benoemde en vóór zijne bevestiging in het ambt, in handen van Deputaten bovengenoemd, onderteekening van het Formulier voor de Professoren, in redactie zooals door de Synode te Groningen in 1899 is bepaald.

b. „Aan art. 3 toe te voegen: Oordeelt de Gen. Synode het ingebrachte bezwaar harer Deputaten gegrond genoeg om de zaak ter hand te nemen, dan geeft zij Directeuren hiervan kennis en dezen dragen den betrokken Hoogleeraar op, zijn gevoelen volkomenlijk aan de Synode of hare Deputaten te openbaren.

„Wanneer eene Gen. Synode er toe komen mocht om hare censure

Sluiten