Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pieters. En ook in strijd met de bestaande bepalingen, 'k Zal je even voorlezen uit het Reglement voor de Vrije Universiteit:

„Art. 18. Het toezicht en de tucht over de studenten is opgedragen aan den Senaat, volgens door hem vastgestelde Bepalingen en : Instructie voor Curatoren van de V. U.

„Art. 6. Curatoren geven in den Senaat der in art. 4 bedoelde school (hier de Theol. Faculteit) mede hun advies over .... het uitoefenen van toezicht en tucht over de studenten."

Bovendien bestaat er een gansch „Reglement voor het oefenen van toezicht en tucht over de studenten". Dit Reglement, bestaande uit 8 artikelen, omschrijft alles.

Harmsen. Dan is toch art. 6 van de „Overeenkomst" vrij wel overcompleet.

Pieters. Geheel overcompleet. De studenten zijn (evenals ieder lid) allen onder toezicht en tucht van den Kerkeraad der Ger. Kerk te Amsterdam en zijn bovendien besloten onder het „Reglement", door den Senaat van de V. U. vastgesteld. Deputaten mogen dus hoogstens „al wat aangaat het gedrag enz. der studenten ter kennis brengen van de Theol. Faculteit"; maar dan nog heeft alleen de Senaat het recht, volgens art. 2 van het „Reglement", te beoordeelen of de klachten over bepaalde personen van genoegzaam ernstigen aard zijn; en alles wordt verder door den Senaat behandeld. En om nu de kroon op alles te zetten, komt art. 7 der „Overeenkomst" en zegt:

Art. 7.

Bij al het hiervoren bepaalde, blijft het door den Kerkeraad te oefenen opzicht over belijdenis en wandel, zoo van Hoogleeraren als studenten, onverkort aan den Kerkeraad gelaten.

Harmsen. 't Zijn vreemde artikelen. Deputaten nemen in art. 6 iets op zich te doen, wat zij onmogelijk kunnen doen — het gedrag der studenten nagaan — en art. 7 zegt, dat „het opzicht over den wandel der studenten onverkort aan den Kerkeraad blijft gelaten"; en bovendien, zeg je, bestaat er een Reglement. Je kunt in de „Overeenkomst" art. 6 en art. 7 beide wel schrappen.

Pieters. Lezen we dan

Art. 8.

Aan de Vrije Universiteit zal niemand tot Doctor in de Godgeleerdheid gepromoveerd worden, dan na schriftelijke verklaring van instemming met de belijdenis der Nederlandsche Gereformeerde Kerken, waarvoor de te onderteekenen formulieren door de Theol. Faculteit met de Deputaten worden geregeld.

Sluiten