Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weinig aan te kunnen medewerken, dat onze kerk steeds nader kome tot haar heerlijk doel: zich zelf overbodig te maken. Inzonderheid ben ik U, geachte Secretaris, grooten dank verschuldigd voor het vriendelijk geduld, waarmee Gij mijn onbekwaamheid in allerlei opzicht zijt te gemoet gekomen en dit — ik beloof er U nauwelijks om te vragen — zult blijven doen. Het is mij een bijzondere vreugde, Broeder Loeff, met wien ik zoovele jaren in de Dordtsche gemeente in eenheid des geestes mocht arbeiden, dat ik mede in uwe handen de belofte van trouw aan mijn roeping mocht afleggen, en dat ik mij van uw voortdurende en zeer gewaardeerde sympathie mag verzekerd houden.

EdelGrootAchtbare Heeren, Curatoren dezer Universiteit, en WelEdelgestrenge Heer Secretaris van het Curatorium! Ik breng U mijn eerbiedigen groet. Uw tegenwoordigheid aan deze plaats levert mij het bewijs, dat het Hooger Onderwijs van wege de Nederlandsche Hervormde Kerk niet door U beschouwd wordt als een soort van appendix periculosa, die uit het organisme uwer inrichting zoo spoedig mogelijk dient te worden verwijderd. Dat de vakken, mij hier te doceeren gegeven, door U niet van de universitas scientiarum worden uitgesloten, geeft mij vrijmoedigheid ook voor mijn arbeid een zeer bescheiden plaatsje onder de vleugelen uwer zorgzame belangstelling te vragen. Ik hoop, dat die arbeid in geen enkel opzicht afbreuk zal doen aan de glorie, die de Groningsche Universiteit zoo overvloedig bezit en zoo ruimschoots verdient.

Hooggeleerde Heeren, Rector Magnificus en Professoren in de verschillende faculteiten. Met eerbiedigen schroom doe ik een beroep op uw collegiale goedgunstigheid. De dagen ?ijn voorbij, waarin Busken Huet de vriendelijke bewering uitte, dat de studie in de godgeleerdheid een mensch slechts geschikt maakte tot .den rang van gepasporteerd onderofficier

Sluiten