Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat, moogt gij, geliefde gemeente, dan verwachten van eenen gezant, die waarlijk van Christus gezonden is; dat moet gij als een eerste voorwaarde beschouwen, zal een leeraar een gezant van Christus zijn, en dat heeft uw leeraar ter harte te nemen met allen, die tot dit treffelijk ambt geroepen zijn: »Heb acht op 11 zeiven en op de leer«.

»De leer!« ls het haast geen hatelijk woord geworden in onze dagen, om te spreken van »de leercc'.' Moet men niet schuchter zijn om »de leer« zelfs ook te noemen'? Ieder heeft zijn eigen leer en leert wat hij wil, maar het woord »de leer« is gehaat en gesmaad. Wie zou zich niet schamen om dat nog het ambt van een gezant van Christus te noemen: »Heb acht op de leer«? — Een hooggeleerde heer heeft in den jongsten winter te Rotterdam met groote autoriteit verklaard, en hoe vele minder geleerden volgen hem daarin, dat het «Wezen des christendomste niet in »de leer« bestaat, maar in den Persoon van Jezus Christus. Is deze tegenstelling waar en billijk, daar niemand iets van onzen Heere Jezus Christus weet, dan uit »de leer der Heilige Schriften«'? En daarna komen zij met de naïve betuiging, dat er toch eene leer noodig is. Maar wiens leer dan'? De hunne?

»üe leer!« Neen, zegt men, niet de leer, maar leven moet het zijn. — Maar hoe komt het dan, dat de Heere Christus spreekt: »Mijne leer« en zegt: »Mijne leer is de Mijne niet, maar Desgenen, die Mij gezonden heeft« (Joh. 7 : 16)? En van de Pinkstergemeente lezen wij : »En zij waren volhardende in de leer der apostelen« (Hand. 2 : 42). En Johannes, wel genoemd de apostel der liefde, hij zegt: »Een iegelijk, die overtrê'edt en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beide, den Vader en den Zoon« (2 Job. : 9).

Sluiten