Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hopeloos verdorven hebben we liet, — ja, de gelieele Schepping Gods, en het ligt alles woest dooreen, en 't is alles duisternis en schaduwe des doods, van wege den toorn Gods over onze zonden. De Wet komt, maar we willen niet weten wie we zijn, en zoo verdoemt ons de Wet; de Genade schijnt, maar we begrijpen de Genade niet hoe ze »Genade« is, en meenen het altijd eerst zelf te moeten terechtbrengen; zoo kunnen we ons niet in de Genade verblijden.

Hoe moet dat in orde komen'? Daar komt immers nooit iets van terecht! Dat is gansch onmogelijk! Zóó triomfeeren alle duivelen: Deze behoort ons toe, deze behoort in 't rijk der duisternis! Daar is dan de arme mensch in duisternis, nacht en nood, — en zijn eigen licht gaat uit, en hij kan met alle inspanning niets anders dan zich dieper in zijne ellende inwerken, alles nog woester, nog lediger, nog donkerder maken, — maar ook hier heeft de Satan niet gerekend met den Geest Gods, Die zweeft over de wateren van den zielennood, en daar spreekt de Almachtige God ook over zulk een Zijn Woord uit: Daar zij licht! En daar is licht. Daar moet licht komen. Daar breekt de straal Zijns lichts zegevierend door de dichtste duisternis heen, daar wordt aanschouwd de Heerlijkheid Gods.

Welk een licht is het? Velen meenen het gezien te hebben, een licht der verbeelding, zoo ongeveer gelijkende op het natuurlijke licht. Maar neen, het is geen licht der verbeelding, het wordt niet met menschenoogen aanschouwd, maar met het oog des geloofs. Het is de Heerlijkheid des Eeniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid, zooals ze ons in al hare volheid verkondigd wordt in Zijn Woord. Dit is het, dat de Zone Gods in ons geopenbaard wordt, dat we Hem leeren kennen, Die voor ons, in onze plaats, in duisternis was en schaduwe des doods, Die alle gerechtig-

Sluiten