Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekend wordt voor het aangezicht Zijns Vaders, is er geen leven, blijft niets anders over dan de eeuwige dood.

III.

Zoo is ons dan gebleken de noodzakelijkheid om onder alle omstandigheden Jezus Christus te belijden voor de menschen. Dat is ons gepredikt, opdat wij onszelven zullen toetsen. De prediking stelt ons vanzei ven voor de vraag: hoe staat het te dezen aanzien met u? Wat hebt gij tot heden toe gedaan: Hem beleden of Hem verloochend? Wat doet gij op dit oogenblik: belijdt gij Hem of verloochent gij Hem?

O daar zijn velen, die Hem volstrekt niet belijden, in geenen deele voor Hem uitkomen; niet eens in hun woord, laat staan in den wandel. Daar zijn er velen, die Jezus van Nazareth volstrekt niet erkennen als den Christus, den Gezalfde des Heeren, den eenigen Middelaar Gods en der menschen; die Hem dus niet huldigen als hunnen Koning, die zich volstrekt niet om Hem bekommeren, die hunnen weg door het leven gaan als zat Jezus niet op Zijnen troon. Dat er bij dezulken geen uitkomen voor Hem wordt gevonden, behoeft wel niet in den breede door ons betoogd te worden. Ieder voelt wel, dat hier eene verloochening van Jezus wordt aangetroffen, zoo grof als het maar kan.

Maar als wij niet behooren tot dezulken, als wij veeleer gerangschikt wenschen te worden onder de belijders van den Christus, -— dan komt de vraag met te grooter kracht tot ons: »hoe staat het met u? belijdt gij Hem of verloochent gij Hem?«

Met te grooter kracht? Maar die vraag is immers onnoodig! Als ik een belijder-van den Christus wensch te heeten, spreekt het wel vanzelve, dat ik Hem belijd, en niet verloochen!

En toch komt die vraag tot u met te grooter kracht,

Sluiten