Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wil en uit zijne eigene werken wil zalig worden; ach, wij menschen zijn zóó verblind door onzen hoogmoed der eigene gerechtigheid, dat wij geene oogen hebben voor de liefde Gods tot het verlorene; — en toch, wat zal er van ons worden, als wij door ons zeiven geheel of gedeeltelijk rechtvaardig en zalig moeten worden?! De bezoldiging der zonde is de dood; verloren, voor eeuwig verloren zijn wij!

Wat wil God ons door deze Zijne zaligmakende leer zeggen'? Dit: dat wij ophouden het eeuwige leven van ons zeiven te verwachten, en ons als verlorenen op genade en ongenade in Zijne handen overgeven met de bede: Heere, ontferm, ontferm Gij u over mij! Want, Gel., stellen wij ons niet in Zijne handen, zullen wij dat niet gedaan hebben, dan kunnen wij er staat op maken, dat onze namen niet in het boek des levens zijn geschreven, want het leven uit God kan zich niet van den Heere af-, maar moet zich naar Hem toekeer en. O, laat ons bedenken, dat wij het zijn, die ons verderf zoeken, en dat de Heere God het is, Die onze behoudenis wil. Immers, zóó luidt Zijn Woord: „Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozen, maar daarin heb Ik lust, dat de goddelooze zjch bekeere van Zijnen weg en leve" (Ezech. 33 : 11). — Laat ons zingen uit Psalm 87 vers 2, 8, 4.

Men spreekt van n zeer heerelijke dingen,

O schoone stad van Isrels Opperheer!

'k Zie Itahab, ik zie Babel, tot uw eer,

Bij hen geteld, die Mijne grootheid zingen.

De Filistijn, de Tyriër, de Mooren,

Zijn binnen u, o Godstad, voortgebracht;

Van Zion zal het blijde nageslacht Haast zeggen „deez' en die is daar geboren!"

Sluiten