Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Psalm 103 : 1, 2.

Loof, loof den Heer, mijn ziel! met alle krachten; Verhef Zijn' Naam, zoo groot, zoo heilig t' achten.

Och of nu al, wat in mij is, Hem preez'!

Loof, loof, mijn ziel! den Hoorder der gebeden; Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden!

Vergeet ze niet; 't is Grod, Die z' u bewees!

Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven, Hoeveel het zij, genadig wil vergeven,

Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van 't verderf uw leven wil verschoonen, Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

Die in den nood uw Redder is geweest.

Geliefden in den Heere Jezus Christus!

Wat maakt gelukkig'? Geld en goed, voorspoed in de wereld, dat men verkrijgt alles, wat het hart begeert, wat de zinnen en lusten des vleesches streelt? Och, dat geluk is wisselvallig en onbestendig. Bezit men geen hooger geluk, dan ontzinkt het ons toch, als wij sterven en de wereld met al wat in haar is ons begeeft.

Gelukkig, in waarheid gelukkig is hij, die den Heere kent als zijn algenoegzaam deel, zijn hoogste goed; die verkregen heeft de hemelsche schatten, welke blijven ook in nood en dood.

Welgelukzalig is de mensch, wiens zonden vergeven zijn, die den Heere heeft gevonden als zijnen genadigen God en verzoenden Vader.

Doch, wie bekommert zich om dat geluk, dit eeuwig

Sluiten