Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch het gevraagde rapport werd noch op de Synode te Groningen in 1899, noch op die te Arnhem in 1902 ingediend. Zelfs bleek het noodig nieuwe deputaten te benoemen en dezen een nieuw en beperkter mandaat te geven. Dit beperkte mandaat sloot in zich, dat van het hooren der buitenlandsche Kerken werd afgezien, als ook, dat niet een principieel advies behoorde gegeven te worden over de vraag, welke taak de Christelijke Overheid heeft op religieus en ethisch gebied, of wat de verhouding moet wezen tusschen Kerk en Staat, maar het advies zich uitsluitend beperken moest tot de gewraakte woorden uit de Belijdenis. Dat het nu voor de broederen een oorzake van vreugde is, dat na zoo langen lijdensweg dit gravamen aan de orde komt, kunnen wij verstaan. Het is uit het standpunt van die voorgeschiedenis beschouwd niet meer dan natuurlijk, dat zij blijde zijn de zaak nu ter hand te kunnen nemen.

Maar hoe natuurlijk dit ook zijn mag, het komt ons toch voor nu allerminst de geschikte tijd te zijn om zulk een kwestie te behandelen. En dat wel uit tweeërlei oogpunt. Allereerst uit het oogpunt van den kerkelijken toestand in het algemeen; daarna ook uit het oogpunt van de kwestie zelve.

Als wij den algemeenen kerkelijken toestand beschouwen, dan moet het feit erkend, dat de Kerk in zeer gedesorganiseerden staat verkeert. Het is wel waar, dat tal van mannen en vrouwen zich hebben losgemaakt van de Herv. Kerk en zich tot gemeenten gevormd hebben, die de Dordsche kerkorde hebben aangenomen, maar het feit blijft des niet te min onwedersprekelijk dat een nog veel grooter aantal Gereformeerden zich

Sluiten