Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest. In de Spinozistische philosophie is dit vonnis voltrokken. Voor haar bestond het wezen aller religie in deugdsbetrachting. De waarde van het leerstellige werd van geringe beteekenis. En daarmede was de Staat ontheven van zijne roeping om op te komen voor de geboden der eerste tafel. Hem bleef slechts handhaving van die der tweede tafel. Ontzettend groot is de invloed dezer wijsbegeerte geweest. In haar teeken staat feitelijk onze tegenwoordige neutrale Staatsidee. Toch heeft ook hierin het differentiatie-proces niet uitgewerkt. Ook de tweede tafel der Wet komt onder een overdreven ziekelijk individualisme in het gedrang. In socialistische en anarchistische kringen worden ook deze niet meer als volstrekt geldig erkend en daardoor de Staat zelf bedreigd. En toch treedt de Staat daartegen slechts dan op, als de theorie zich poogt om te zetten in de praktijk. Bij het vraagstuk, dat Art. XXXVI stelt, is eenerzijds beslist vast te houden, dat gelijk alle creatuurlijke leven ook het Staatsleven zal strekken tot verheerlijking Gods, maar anderzijds te onderzoeken hoever in deze de Staatstaak zich mag uitstrekken krachtens het wezen van den Staat. Meende men vroeger dat uniformiteit der burgers in zake religie voor den welstand van den Staat, noodzakelijk was, de historische ontwikkeling heeft het anders geleerd. De staatsmacht werd teruggedrongen, naarmate de persoonlijkheid in beteekenis won. Voor de Christelijke religie, vooral in haar Gereformeerden vorm, kan dat geen schade zijn, daar zij ten stelligste handhaaft de waarde der persoonlijkheid. Maar er is één gevaar namelijk dit, dat hetzelfde differentiatie-proces, dat den gekerstenden Staat heeft overvleugeld, ook den ongeker-

Sluiten