Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wie bijzonderlijk geroepen waren die te doen stralen als lichtend licht, en uit te roepen met eene bazuin van niet onzeker geluid, voor de oogen en de ooren van de gansche wereld; dat wij allen te saam niet hebben volhard in de voortdurende smeeking, met dankzegging; wellicht zelfs aldus aan het ideaal ontzonken, dat wij van eene stoffelijke bijdrage eene verdienste voor ons zeiven maakten; eenen prijs, waarvoor wij ook iets eischen konden, — o, dan schreit en jubelt gelijktijdig elks hart het uit: „Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat zijne barmhartigheden geen einde hebben." (Klaagl. 3 : 22)

Nochtans deed de Heere meer dan dat alles, en reeds groote. Hoe klein onze Stichting ook zij in vergelijking met de openbare Universiteiten naast wie zij staat; ja, ook in verhouding tot het bestek van haren bouw, — toch onderging zij in het tijdsverloop dat achter ons ligt, zij het ook na velerlei beproeving en goeddeels eerst in de laatste jaren, eene uitbreiding, waaraan althans van hare tegenstanders wellicht niet velen hebben geloofd.

Tot een vijftal was de kring der Hoogleeraren beperkt, waarmee de Universiteit in het leven trad. Twee studenten slechts hadden zich aangemeld; voor de litterarische en de juridische faculteit niet één. Niet slechts ontbrak haar eene aula, — deze wordt nog gemist, — maar ook eene Senaatszaal; zelfs collegelokalen hadden wij niet. En alleen werd door de gastvrijheid, die wij voor een en ander vijf jaar van het Bestuur der Schotsche Zendingskerk genoten, in die behoeften voorzien.

Zoo gingen wij met kleine kracht en op zeer bescheiden voet het leven in. En het was dan ook door allen gevoelde beteekenisvolle versterking, als na één jaar tijds Dr. Woltjer in de rij van Hoogleeraren opgenomen werd. Veelszins werden wij verrijkt, als in 1882 de Curator Dr. de Hartog, tot Regent van het te stichten Hospitium benoemd, met den titel van Hoogleeraar, onder de Professoren plaats verkreeg. Verklaarbare blijdschap wekte in 1883 het bericht, dat een andere Curator, Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, bereid gevonden was het hoogleeraarsambt te aanvaarden.

Het aantal Professoren was zoo reeds tot acht vermeerderd.

Sluiten