Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Hoogleeraren" van het Amsterdamsche Athenaeum werd in 1875, als het ontwerp aanhangig was, een adres aan de Tweede Kamer gezonden, waarin gezegd werd: „Indien nu eene Universiteit met uitsluiting van andere, de bevoegdheid verkrijgt om titels te verleenen, dan wordt haar daardoor een ontzaglijk voordeel boven hare mededingsters gegeven. Dit is de toestand, waarin de Rijkshoogescholen zich thans tegenover de stedelijke en Vrije Universiteiten bevinden."

„Het bestaan eener Universiteit, die het recht om examina af te nemen, mist, wordt niet alleen moeielijk, maar bijna onmogelijk gemaakt. Wat baat het in een dergelijken staat van zaken, of het beginsel van vrijheid wordt uitgesproken, indien tevens het gebruik der verleende vrijheid, behalve waar het de opleiding van geestelijken geldt, feitelijk wordt belet, doordien men het recht om titels te verleenen tot een monopolie der Rijks-Universiteiten maakt."

En zoo werd er dan op aangedrongen öf staatscommissies voor de examens in te stellen, öf ook aan de Hoogleeraren van stedelijke en die van vrije Universiteiten het recht te geven examens af te nemen. En wel, gelijk bedoeld werd telkens als van examens sprake was, zoodanige examens, waaraan dezelfde bevoegdheden verbonden waren als aan die, welke aan de RijksUniversiteiten werden afgelegd. „Doet men noch het een noch het ander", — dus ging het stuk voort, — „dan zal er grond zijn voor het vermoeden, dat men het bestaan van andere dan Rijks-Hoogescholen belemmeren wil." 8)

Aan het verlangen werd evenwel niet voldaan, hoezeer kort te voren, 12 Juli 1875, in Frankrijk eene wet was tot stand gekomen, die aan eene instelling met drie faculteiten het recht verleende op te treden als vrije Universiteit, en voor een goed deel der examens commissiën verordende, saamgesteld uit de Hoogleeraren van openbare en die van vrije instellingen 9). Slechts werd te onzent in de wet van 1876 op het monopolie van het civiel effect der graden aan de Rijkshoogescholen verleend, ééne uitzondering toegelaten ten gunste van de hoofdstad, zoo deze eene Universiteit oprichten wilde geheel overeenkomende met de scholen van het Rijk. Deze uitzondering kwam in de wet bij amendement. Waaromtrent echter de Minister Heemskerk

Sluiten