Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1

het leven alleen. In dien zin is zij het werk meer van hare tegenstanders dan van hare vrienden. Te vaak wordt dit voorbij gezien. Als dezen wordt verweten, dat zij het zijn, die eene breuke maken, die aan de openbare instellingen haar algemeen karakter rooven. O, gewis, ook ik tel de bezwaren aan het overgaan naar anderen toestand, aan het overbrengen van het gansche hooger onderwijs in andere banen niet licht, — maar, voor zooverre die bestaan, rust de verantwoordelijkheid daarvoor toch in de eerste plaats op hen, die daarvan de diepere oorzaak zijn. Dat de openbare Hoogescholen eenzijdig van karakter werden, is niet voornamelijk onze schuld. En weinig redelijk ware de eisch, dat evenwel de gansche maatschappij zich daarbij zoude nederleggen; het ontbloote deel zelfs niet pogen om dan buiten de openbare instellingen om, met eigen kracht, op vrij terrein, hoe moeielijk dit ook zij, zich te voorzien van wat het evenmin als andere deelen van het volk kan missen.

Eene Universiteit als zij, wier vijf-en-twintigjarig bestaan wij gedenken, komt niet anders dan uit dringenden nood tot stand. En zoo is zij dan ook de veelbeteekenende uitspraak, ja, het slecht te loochenen bewijs, dat de openbare instellingen niet beantwoord hebben aan wat zij moesten zijn. Dat de alzoo ontstane toestand voor de openbare instellingen onverschillig wezen zou, wordt allerminst beweerd. Ook hier is overeenkomst tusschen lager en hooger onderwijs. De wet van 1857 bedoelde eene school te vormen voor geheel de natie, waarmeê allen vrede konden hebben, wat hen overigens mocht verdeelen. Maar dit kwam anders uit. Hoeveel moeite men zich ook getroost heeft om haar op te dringen; hoezeer men zich heeft ingespannen om alle verzet te onderdrukken; ofschoon de vrije school in schier onhoudbaren toestand was; hoe lang men ook getracht heeft vol te houden, ja, een enkele doet dit nog! — dat de tegenstand kunstmatig was, door predikanten en geestelijken opgewekt; — eindelijk heeft men zich in het algemeen toch gewonnen moeten geven, en erkend, dat de proefneming van 1857 is mislukt; de openbare school de volksschool niet kan zijn; de gedachte om van haar de school voor de geheele natie te maken, moet worden losgelaten. Mr. Krabbe sprak dan terecht ook uit, dat met de wet van 1889 de openbare school

Sluiten