Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eens: dat in den Doop onzer kinderen, Gods genadeverbond wordt verzegeld, naar de instelling van Christus, dat wij ze als kinderen en erfgenamen des verbonds hebben te beschouwen en op te voeden. Hebben wij daaraan niet genoeg? Zijn wij daarin oprecht, geloovig en getrouw? Waarom zullen wij elkander iets opdringen, dat slechts verwijdert in plaats van vereenigt ? Is dat die hypothese waard, al was er ook niets tegen in te brengen ? Het is toch maar eene hypothese! Moet er in de kerk des Heeren nog langer getwist, evenals men dat doet op het terrein der ongeloovige wetenschap, over eene veronderstelling? Is het verschil in belijdenis, dan zal het zeker op den duur scheuring veroorzaken, en is het hoog noodig, dat dit duidelijk op Bijbelsche gronden wordt aangewezen , op onze kerkelijke vergaderingen, om die dan dwalen terecht te brengen, maar is het dat niet, moeten wij ons dan niet schamen voor God en menschen, dat wij het daarover niet eens kunnen worden ? Och, dat er wat op gevonden werd, dat wij het in de Doopsbeschouwing allen van harte eens worden, anders zullen de gevolgen zeer treurig zijn. God geve ons in dezen vrede!

VIII. (Naschrift.)

Twee Professoren in de Dogmatiek.

Daar de Redacteur der Bazuin mij drie stukken ter inzage gaf, welke naar aanleiding van mijn schrijven hem waren toegezonden, en mij verzocht, daarop te antwoorden, geef ik nog dit slotwoord.

Het eerste was een schrijven van A. F. te W., die, omdat ik beweerd heb, dat niet de veronderstelde wedergeboorte wordt verzegeld bij den Doop, maar de belofte van het genadeverbond, vraagt: I. Wie heeft geschreven, dat de veronderstelde wedergeboorte verzegeld wordt? 2. Hoe komen onze kinderen in het verbond, dat door den Doop wordt verzegeld? 3. Of de kinderen door of bij den Doop in het verbond komen, omdat ik aanhaalde, „die buiten zijn: oordeelt de gemeente niet".

Sluiten