Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

innerlijke kracht kan worden overgelaten, maar dat er een sterk bolwerk opgeworpen worden moet om de heerschappij van dat stelsel te schragen. Onder de leus „vrijmaking der kerken" bedoelt men feitelijk niets anders dan vrijheidsberooving voor allen, die nu eenmaal de onhoudbaarheid en onwaarheid van dat Calvinisme hebben ingezien, en toch, ja juist daardoor belijders zijn van het Evangelie van Christus en als zoodanig op hun plaats in de Ned. Herv. kerk recht meenen te hebben. Het „synodale juk", waarover men ook twintig jaren geleden bazelde, schijnt dan al bijzonder zwaar te dragen te zijn voor die „Gereformeerde" heeren, en het is mij onbegrijpelijk, waarom zij nog zoolang dat juk blijven torsen; waarom zij niet al lang de toevlucht namen tot de „vrijgemaakte" Gereformeerde kerken A en B. Maar neen! In de Ned. Hervormde kerk zelf willen zij weer de „Gereformeerde" leer tot geldigheid en heerschappij brengen. De „plaatselijke kerken" — lees „gemeenten" — heeten te moeten worden „vrijgemaakt" van de organisatie, die „de Gereformeerde kerken in 1816 opgelegd" is. Juist 't zelfde, als wat men in de dagen der Doleantie zoo dikwijls hoorde! Langs dezen weg, zoo heet het,-zal men komen tot „een herboren Gereformeerde kerk"; terwijl het voorbeeld van de Doleantie leert, hoe kunstmatig zulk eene „wedergeboorte" is, en hoe weinig ze met de ware geestelijke herschepping, die de kerken ongetwijfeld behoeven, te maken heeft.

„Het is ons begeeren", zoo heet het, „alle scheidsmuren te doen wegvallen en te komen tot de ééne het nationale leven bezielende Gereformeerde kerk".

Dit klinkt heel fraai; maar wat kan het anders beteekenen, dan het streven, om de Hervormde kerk zóó te veranderen, dat in haar, evenmin als in de Gereformeerde kerken

Sluiten