Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doening, zich zeiven opofferende aan het hout des kruises, vergietende zijn dierbaar bloed tot reiniging onzer zonden." En de Catechismus zegt: (Zond. V, vr. 12—15) „God wil, dat Zijner gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar öf door ons zeiven of door eenen anderen volkomenlijk betalen." Zelf kunnen wij echter „in geenerlei wijze" betalen, zoodat wij „eenen Middelaar en Verlosser" zoeken moeten, die dit wel kan; dezen nu vinden wij (Zond. VI, vr. 18) in Jezus Christus, die, volgens Zond. XV, vr. 37 „den ganschen tijd Zijns levens op aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts gedragen heeft, opdat Hij met Zijn lijden als met het eenige zoenoffer ons lijf en ziele van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierve."

Aan deze leer der voldoening sluiten zich dan weer aan de leer der twee naturen en de leer der Drie'èenheid. Daar een gewoon mensch niet als Middelaar kon optreden en „voor de zonde betalen", moest Hij, die als zoodanig optrad, meer dan mensch, moest Hij God zijn. Maar omdat de zonde der menschen ook gestraft worden moest aan den mensch, moest de Middelaar en plaatsbekleeder ook geheel en al mensch zijn. Hij moest dus God en mensch in één persoon zijn; Godmensch. Uit nu wordt gezegd het geval geweest te zijn bij Jezus, die „de menschelijke natuur aangenomen" heeft uit Maria, maar naar Zijn eigen wezen de Zoon was, d. i. de tweede persoon der Drieëenheid. Want de Godheid, zoo leert men, is „eenig in Wezen en nochtans in drie personen onderscheiden" (Art. VIII Belijd.). De Vader is God, de Zoon is God, de Heilige Geest is God, en toch, zoo heet het, zijn er niet drie goden maar slechts één God; en

Sluiten