Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bron is van de verlossing, maar Gods genade, en dat het geloof alleen het middel of instrument is, waardoor de uitverkorenen deel krijgen aan die genade en mitsdien aan de verlossing. Tevens bestreed zij de opvatting der Remonstranten als zou er eene „onvolkomene", voorloopige, en eene „volkomene", definitieve verkiezing zijn; zoodat sommige personen eerst, voorloopig „uitverkoren" konden zijn, maar daarna, door dat zij van het geloof afvallig worden, toch verworpen konden worden. Daartegenover stelde zij, dat, daar „het geloof een gave Gods" is, en den mensch „wordt medegedeeld, ingegeven en ingestort" (Leerregels XIV) het onmogelijk was, dat de verkiezing geschiedde om dat geloof, doch integendeel het „begiftigd" worden met het geloof het eerste teeken was van het verkoren zijn.

Het kan niet ontkend worden, dat als men aanneemt de leer der verdoemelijkheid, der eeuwige verdoemenis, der onmacht, en der behoudenis uit genade, alleen om „de verdienste van Christus" men moeilijk kan ontkomen aan de aanvaarding van de leer der uitverkiezing in den persoonlijken zin. Het is toch ondenkbaar, dat God een groot deel Zijner schepselen, ofschoon hen willende behouden, toch toelaten zou dit Zijn voornemen te verijdelen door de aangeboden verlossing niet aan te nemen. Indien alleen „Gods genade de bron is van het behoud, en men als zeker aanneemt, dat een zeer groot deel der menschen niet behouden, maar verdoemd wordt, dan moet men wel tot het besluit komen, dat dit een gevolg is van Gods wil, om slechts een deel te behouden, en wel dat deel, dat behouden wordt door Hem. Neemt men aan de eeuwige verdoemenis van een deel der menschen, dan moet men leeren óf: dat God die verdoemden ook wel had kunnen redden, maar dat Hij dat niet

Sluiten