Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14, 17 en 23> 7)- De praedestinatie is volgens hem „het eeuwig besluit Gods, waardoor Hij bij zichzelven bepaald heeft, wat Hij wil, dat van eiken mensch afzonderlijk worden zou. Want niet allen worden onder gelijke conditie geschapen ; maar voor sommigen wordt het eeuwige leven, voor anderen de eeuwige verdoemenis vastgesteld" (damnatio aeterna praeordinatur) (T. z. p. 14, 5 en 21, 5). Ja, nog krasser en ondubbelzinniger zegt Calvijn het, dat God de verdoemden heeft gepraedestineerd tot het verderf. God verwerpt hen om geene andere reden, zoo heet het (8ste Ed. B. 3, H. 23, 1) dan „omdat Hij hen wil uitsluiten van de erfenis, die Hij voor Zijne kinderen bestemd heeft". „Ik vraag van waar het gekomen is", zoo schrijft hij in de 8ste Editie van zijne „Institutio" (B. 3. H. 23, 7) „dat de val van Adam zoovele volken met hunne kleine kinderen in een eeuwigen dood heeft ingewikkeld zonder eenig hulpmiddel dan omdat God het alzoo heeft goed gevonden".

Calvijn blijft niet staan bij het infralapsarische standpunt, volgens 't welk dit raadsbesluit Gods van verlossing en verdoemenis eerst na den val van Adam zou genomen zijn; neen; in konsekwent Supra-lapsarisme leert hij, dat ook Adams val door God is gepraedestineerd. „Het moet niet absurd schijnen wat ik zeg," zoo schrijft hij (3de—7de Ed. H. 14, 17, 8ste Ed. B. 3 H. 23, 7) „dat God niet alleen den val van den eersten mensch en daarin den ondergang zijner nakomelingen vooruit gezien heeft, maar ook aldus beschikt heeft door Zijn willekeur" (arbitrio quoque suo dispensasse). Adam is gevallen „omdat de Heer geoordeeld heeft, dat het aldus zou geschieden" (T. z. p. 14, 18 en 23, 8). Ja Calvijn deinst er niet voor terug te zeggen, dat de mensch „door Gods eeuwige voorzienigheid geschapen is tot die ellende

Sluiten