Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waaraan hij onderworpen is." (T. z. p. 14, 19 en 23, 9). Volgens Calvijn heeft God dan ook aan Adam een „middelmatigen en wankelbaren wil" (mediam voluntatem atque caducem) gegeven, en wel „opdat Hij uit zijn val zich stof tot Zijn roem bereiden mocht." (8ste Ed. iste B. 15, 8).

Met weerzin keert men zich af van zulk eene afschuwelijke, ja godslasterlijke voorstelling, die God maakt tot een monster, dat opzettelijk wezens in het aanzijn roept om hen tot in eeuwigheid te pijnigen, als „straf" voor niet door hen maar door hun stamvader bedreven zonde, waartoe deze stamvader gepraedestineerd was. Welk eene bespotting van het Evangelie der goddelijke liefde is deze harde en wreede leer, die aan God eene gezindheid toeschrijft, welke wij bij menschen geraffineerde wreedhied zouden noemen! Opzettelijk den stamvader onthouden de kracht, waardoor hij zou zijn staande gebleven, opdat die stamvader vallen en het verderf over zijne nakomelingen brengen zou, opdat die nakomelingen, met uitzondering van een klein deel uitverkorenen, aan een eeuwig verderf overgegeven zouden worden en eeuwig gepijnigd worden zouden in de hel ter meerdere eere (!) van God, die hen daartoe praedestineerde!

En toch is dit nog niet alles. Nog verder gaat Calvijn. De verdoemden worden ook in het leven door God gedreven naar hun verderf. Hun wordt „de toegang tot het leven gesloten" (t. z. p. 14, 5 en 3de b. 21, 7). God onthoudt hun de werking Zijns Geestes, en „geeft hen aan de werking des Satans over" (ad Satanae actionem ablegit, T. z. p. 2, 68 en 2de b. 4, 1). Hij „berooft hen van het licht Zijner gemeenschap, maakt hen blind, verstompt hen." (T. z-P- 14, 33 en 3de b. 24, 12). Hij „zet hun wil aan, be-

Sluiten