Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De verkeerdheid der zonde, het veroordeelenswaardige ervan werd uitgedrukt in de leer van het dreigende oordeel. En het algemeene van dat door het oordeel bedreigd worden (de verdoemelijkheid) diende bij Paulus slechts als grondslag voor de meest ruime, meest universeele prediking der reddende liefde van God. Maar in het Gereformeerde stelsel is dit geheel anders. Niet de zondige daden zijn het, die „verdoemelijk maken, maar het feit, dat men van Adam heet af te stammen, en de gedrochtelijke idee, dat men daarom mee gedaan heeft wat Adam deed: zich werpen in den val. En de idee der verdoemelijkheid is niet meer, wat ze bij Paulus is: een blootstaan aan een veroordeelend vonnis, maar: een door God gehaat zijn. Zegt Calvijn niet in zijn Institutio, dat de kleine kinderen „van den moederschoot af hunne veroordeeling (damnatio) meedragen" omdat hun geheele natuur „niet anders dan hatelijk en verfoeielijk voor God zijn kan" ? (Instit. iste tot 7de Ed. 2, 12, 8ste Ed. 2de B. H. 1, 8). En leeren de drie formulieren niet feitelijk hetzelfde? De leer der verdoemelijkheid in het Gereformeerde stelsel (en in de gewone, gematigde orthodoxie eveneens) stelt het voor, alsof de gezindheid Gods jegens de menschen niet die is van een liefhebbend Vader, zooals de Heiland ons leerde, en reeds de profeten min of meer gevoelden, (men denke b.v. aan Ezech. 33: 11) maar van een vreeslijk vertoornden, met de zwaarste straf dreigenden Rechter. Zij wekt vrees voor God in plaats van liefde tot Hem; zij schrijft God de grootste hardheid toe, en waar de gebrekkige mensch bij de fouten van een kind denkt: „Het weet nog niet beter" en de barmhartige Heiland, bij de misdaad Zijner vijanden, bad: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen," daar leert dat dogma ons God voor te stellen als vreeselijk

Sluiten