Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar daden, die, omdat zij in strijd zijn met Gods wil, den mensch brengen in een toestand van vijandschap tegen de wet, en daarom tegen God, die in die wet Zijn wil uitdrukt. Het woord uit Genesis wijst eveneens slechts op de aangeboren neiging ten kwade; terwijl het woord des Heilands de noodzakelijkheid aanwijst van de werking van Gods Geest om den mensch tot bekeering te leiden. Dit is echter nog geheel iets anders dan de leer, dat de mensch geheel en al onmachtig is het kwade na te laten en het goede te doen, dat hij als 't ware door zijn „gevallen", d. i. zondigen toestand zou zijn gedetermineerd tot zondigen. Dit te leeren doodt alle gevoel van verantwoordelijkheid voor onze daden; verlamt alle poging om tegen de zondige neiging te strijden; kweekt onverschilligheid voor eigen en anderer zonden, en geeft aan de goddeloosheid een vrijbrief, door de uitvlucht: „Ik kan 't mezelven toch niet geven!" En het is ouwaar in de hoogste mate. Ook al moest toegestemd worden, dat Paulus of een der andere bijbelschrijvers het zóó bedoeld en geleerd had, dan nog moest deze leer verworpen worden. Want wij weten zeer goed, dat 't onwaar is, dat wij onze lusten en hartstochten niet zouden kunnen bedwingen, dat het een gevaarlijke dwaling is, te leeren, dat wij moeten zondigen, niet kunnen gehoorzamen aan Gods wil, uitgedrukt in de zedewet, en in ons geweten ons duidelijk geopenbaard. De mensch kan, als hij maar ernstig wil, zijne hartstochten en neigingen, zijne lusten beteugelen, breidelen. Hij kan, als hij wil, strijden tegen de verzoeking tot kwaad, en die weerstaan en overwinnen. Hij kan, als hij ernstig wil en in dat willen volhardt, leeren het goede te doen en het kwade te laten; leeren „het vleesch te kruisigen"; leeren te zoeken „al wat

Sluiten