Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en te vertrouwen op die verdiensten tot bedekking hunner schuld en zonde, zoodat zij nu, vrij van schuld, „gerechtvaardigd" zijn, en op de zaligheid des hemels rekenen mogen, niet om iets in henzelven, maar „alleen uit genade", om niet. Op deze leer bouwen duizenden hun hoop voor de eeuwigheid ; zij is bezongen door tal van' dichters in allerlei liederen, waarvan er sommigen zelfs van diepe aandoening getuigen en aandoeningen ook verwekken. Ik denk bijvoorbeeld aan het lied „Zie den mensch", waarde uitdrukking aan het slot: „Ik deed door mijne zonden Hem al die jammren aan" bedoeld wordt in den zin der voldoeningsleer, dat onze zonden op Hem gelegd door „al die jammeren", door dat lijden en sterven gestraft zijn. Zoo ook het bekende lied: „Jezus, Uw verzoenend sterven blijft het rustpunt van ons hart", waar als eenige troost in het sterven wordt gesproken van Zijn bloed, dat de schuld voor God bedekken moet. De „eenige troost" waarover de eerste vraag van den Catechismus spreekt, is ook de zekerheid het eigendom te zijn van Hem, die „voor al mijne zonden volkomen betaald" heeft en in verband hiermee zingt men telkens weer „Niets, o Jezus, dan uw bloed geeft voldoening aan 't gemoed". Ja, nog sterker wordt het uitgedrukt in de „Belijdenis", waar dat bloed van Christus genoemd wordt „de Roode zee", waardoor men gaan moet om verlost te worden. En het wordt ten slotte stuitend in platheid als het heet in een engelsch opwekkingslied: „Er is eene fontein vol bloed, ontsproten aan de aderen van Immanuël; en zondaars, in dien vloed ondergedompeld, verliezen al hun schuldige vlekken"').

0 There is a founlain filled with blood

Drawn from Immanuels veins 5 And sinners plunged beneath that flood Lose all their guilty stains.

Sluiten