Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heerlijke beteekenis van den naam „Vader" door Jezus aan God gegeven, heeft verloochend, en in dien naam gezien heeft, niet-, eene aanwijzing van de liefde Gods jegens de menschen, maar: de naam van den eersten persoon van het goddelijk wezen.

De idee, als zou Jezus ook „God" moeten geweest zijn

— „waarachtig God", zooals de „Catechismus" het uitdrukt *) — om daardoor in staat te zijn „den last des toorns Gods te dragen", vervalt van zelf met het dogma der satisfactie. Intusschen dient er op gewezen te worden, welk eene gedrochtelijke voorstelling men verkrijgt, als men leert, zooals de „Belijdenis" zegt (Art. 10) dat Jezus is „de ware, eeuwige God, de Almachtige, denwelken wij aanroepen, aanbidden en dienen", en tevens, dat Hij „Gods toorn gedragen", de straf der zonde ondergaan, Gods gerechtigheid verzoend heeft, en daarom „van God verlaten" werd aan het kruis. God heeft dus God verlaten; God heeft op God getoornd; God heeft God gestraft; God heeft God verzoend! Gevoelt men niet, welk eene absurditeit dit wordt?

Iets geheel anders is het in Jezus te zien „Gods Zoon" (niet: God den Zoon) in dezen zin, dat in Hem Gods liefdewezen zich op het heerlijkst openbaarde, zoodat Hij kon genoemd worden „het beeld van den onzienlijken God", de „weerglans van diens heerlijkheid", de „uitdrukking van Zijn wezen", Gods „eengeboren Zoon". En wanneer die naam verbonden wordt met „den Vader" en „den Heiligen Geest",

— zooals b. v. in de doopsformule — dan beteekent dat niet dat „Vader", „Zoon" en „Geest" drie personen zijn, ieder „God" en toch samen ook „God", niet als drie goden maar

i) Zond. V VS. 15, VI VS. 17).

Sluiten