Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft als grondgedachte, dat de mensch in meerdere of mindere mate nog tot iets goeds in staat zou zijn uit zichzelf; en dat dan ook zulk een besluit der praedestinatie gelijk wij dit leeren, alle vrijheid van den menschelijken wil zou bespotten. Maar nu één van de twee; men moet zijn stelsel aandurven, en dan den mensch volkomen vrij tegenover God stellen ; dan kriigt de mensch een zelfstandige, onafhankelijke plaats tegenover God; öf men moet op meer Remonstrantsche wijze zeggen, dat God wel de schenker is der genade, maar Hij zulks meer heeft gedaan naar Zijn voorwetenschap, dan naar Zijn voorbeschikking. God heeft dan wel besloten wie er zalig zal worden, maar dat heeft Hij gedaan van die personen, van wie Hij wist en voorzag, dat ze de genade zouden aannemen en in Christus zouden gelooven. Op die wijs trachtte men de z. g. n. wilsvrijheid dan nog te redden. Tegen beide opmerkingen wegen de volgende bezwaren :

Wat het eerste standpunt aangaat, om de Pelagiaansche lijn consequent door te trekken, daartegen hebben we als bezwaar, dat dan de wereldgeschiedenis los van God komt te staan, en in haar einde onberekenbaar en onmeetbaar is, zelfs voor God.

Dan voert het Pelagianisme doorgeredeneerd tot Deïsme; dit is de opvatting, alsof God en schepping gescheiden en los van elkaar bestaan, omdat God zich niet met haar bemoeit.

Dan wordt op dat standpunt de mensch wetgever en zedeleeraar. dan zal hij uitmaken wat goed is of kwaad, dan voert Pelagianisme tot Revolutie, gelijk dan ook de Revolutie der 18e eeuw uit het Deïstisch-pelagianisme is voortgekomen.

Wat het tweede gevoelen aanbelangt, het Remonstrantsche, daartegen geldt, dat deze opvatting ons niets verder helpt, maar alleen de kwestie verschuift. Laat men als de Remonstranten aannemen, dat de uitverkiezing ingeruild moet worden voor wat Gods voorwetenschap is, maar dan is die voorwetenschap toch van dien aard, dat haar voorwerp als vast vooruitgeweten wordt.

De Remonstranten toch leeren evenzeer, dat het getal dergenen, die zalig worden, vast staat.

De uitkomst is bij hen en bij ons gelijk, maar als dat waar is, dan moeten ook die menschen, die voorwerp van de voorwetenschap ziin, zalig worden.

Voor wilsvrijheid blijft op dit standpunt feitelijk evenmin ruimte.

Die menschen der voorwetenschap zouden b.v. onmogelijk kunnen verkiezen om niet te gelooven.

Sluiten